Het zijn twee aparte rassen uit naburige graafschappen in Wales, Cardiganshire en Pembrokeshire, die tot 1934 als één ras werden tentoongesteld; toen splitste de Britse Kennel Club ze. Ze delen het lange, lage lijf, het verleden als veedrijver en elk van onze beoordelingen. Zo herken je ze:
- Staart. De Cardigan heeft een lange staart, als die van een vos. Die van de Pembroke is kort: sommige worden met een natuurlijke stompstaart geboren, andere zijn gecoupeerd. Couperen is verboden in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië, dus hier zie je veel Pembrokes met een volle staart; in de VS mag het, en de AKC-standaard vraagt om een gecoupeerde staart.
- Oren. De oren van de Cardigan zijn groter en aan de punt afgerond, die van de Pembroke middelgroot en spitser.
- Bouw. De Cardigan is de zwaardere hond: 11-17 kg bij 25-33 cm, de Pembroke tot 14 kg bij 25-30 cm.
- Kleuren. Alleen de Cardigan komt ook voor in blue merle en gestroomd. Pembrokes zijn rood, sabel, fawn of zwart met tan, meestal met witte aftekeningen.
- Karakter. De Pembroke geldt als de meer extraverte van de twee, de Cardigan als rustiger en terughoudender tegenover vreemden. Het zijn neigingen, geen regels.
- Zeldzaamheid. De Pembroke komt veel vaker voor, niet in de laatste plaats dankzij koningin Elizabeth II, die bijna haar hele leven Pembrokes hield. Op een Cardigan-pup moet je vaak wachten.
Qua gezondheid liggen ze dicht bij elkaar: beide rassen lopen risico op degeneratieve myelopathie (vraag naar de SOD1-DNA-test van beide ouders) en op hernia's door een lange rug op korte poten. Cardigan-fokkers testen daarnaast op een erfelijke oogziekte, PRA (rcd3). Gemiddeld leeft de Cardigan iets langer: 12-15 tegen 12-13 jaar.
Kies de Cardigan voor de lange staart, merle of gestroomde kleuren en een rustiger karakter, als je op een pup kunt wachten; kies de Pembroke voor een iets kleinere, extraverte hond die makkelijker te vinden is.